oogsten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·sten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oogsten
oogstte
geoogst
zwak -t volledig

Werkwoord

oogsten

  1. (overgankelijk) het volgroeide gewas van het veld halen
    Het vlas is al geoogst.
  2. (figuurlijk) als reactie krijgen
    Zijn prachtige solo oogstte een luid applaus met bravogeroep.
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

oogsten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord oogst