oogsten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oog·sten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oogsten
oogstte
geoogst
zwak -t volledig

Werkwoord

oogsten

  1. overgankelijk het volgroeide gewas van het veld halen
    • Het vlas is al geoogst. 
  2. (figuurlijk) als reactie krijgen
    • Zijn prachtige solo oogstte een luid applaus met bravogeroep. 
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

oogsten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord oogst

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie