observeren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ob·ser·ve·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘waarnemen’ voor het eerst aangetroffen in 1524 [1]
  • afgeleid van het Franse observer (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
observeren
observeerde
geobserveerd
zwak -d volledig

Werkwoord

observeren

  1. overgankelijk gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
    • Zij observeerden dat deze bacterie in staat is de voor het biologisch functioneren dusver onontbeerlijk geachte fosfor te vervangen door arseen. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen