observeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ob·ser·ve·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
observeren
observeerde
geobserveerd
zwak -d volledig

Werkwoord

observeren

  1. (overgankelijk) gericht via de zintuigen van iets kennis nemen
    Zij observeerden dat deze bacterie in staat is de voor het biologisch functioneren dusver onontbeerlijk geachte fosfor te vervangen door arseen.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl