nomen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·men
enkelvoud meervoud
naamwoord nomen nomina
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nomen o

  1. zelfstandig naamwoord.

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders
55 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Deens

Zelfstandig naamwoord

nomen o

  1. naamwoord


Latijn

Zelfstandig naamwoord

nōmen o

  1. naam, benaming.
    «Nōmen patris meī nesciō.»
    Ik weet de naam van mijn vader niet.
    «Nōmen est ōmen.»
    De naam is een voorteken.
  2. naamwoord
Verbuiging