nodig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van nood met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nodig nodiger nodigst
verbogen nodige nodigere nodigste

Bijvoeglijk naamwoord

nodig

  1. waar behoefte aan is
    Hij had het nodige gedaan om er een succes van te maken.
Antoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
nodigen

nodig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nodigen
    Ik nodig.
  2. gebiedende wijs van nodigen
    Nodig!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nodigen
    Nodig je?