nodig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nodig nodiger nodigst
verbogen nodige nodigere nodigste
partitief nodigs nodigers -

Bijvoeglijk naamwoord

nodig

  1. waar behoefte aan is
    • Hij had het nodige gedaan om er een succes van te maken. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
nodigen

nodig

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nodigen
    • Ik nodig. 
  2. gebiedende wijs van nodigen
    • Nodig! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van nodigen
    • Nodig je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl