muteren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mu·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘veranderen’ voor het eerst aangetroffen in 1451 [1]
  • afgeleid van het Latijnse 'mutare' (verplaatsen, veranderen, ruilen) en mogelijk van het Franse muter (met het achtervoegsel -eren)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
muteren
muteerde
gemuteerd
zwak -d volledig

Werkwoord

muteren

  1. veranderen
  2. ergatief (muziek), (middeleeuwen) overgaan van een stem van het ene op het andere hexachord
    • Het durumteken op f geeft aan dat de melodie muteert naar een fictief hexachord op d. 
  3. ergatief (biologie) een proces van toevallige verandering in een deel van het genetisch materiaal ondergaan
    • Deze bacterie is gemuteerd en daardoor resistent geworden tegen zowat alle antibiotica. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen