mentoraat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • men·to·raat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord mentoraat mentoraten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

mentoraat o

  1. de functie hebbend van mentor
    • Als vele studenten te weinig voorbereid uit het middelbaar komen, moet de oplossing worden gezocht in kleinere klassen en leergroepen, persoonlijke contacten, meer studie- en studentenbegeleiding, mentoraat en monitoraat, opwaardering van het lesgeven, respect voor elke student. Niet de student is de voorbije jaren dommer geworden, het systeem houdt zich van den domme. [1] 
    • Het is doodstil in het lokaal van de Beatrixschool in Rotterdam-Zuid. Aan zes tafels zitten telkens een mentor en twee of drie leerlingen van groep zeven. Ze zijn zo druk bezig dat ze de verslaggever en de fotograaf nauwelijks opmerken. Geconcentreerd bewerken ze met een stift reeksen cijfers op een afveegbaar schrijfbordje. Het lijkt een spelletje. Maar het is rekenles – en toch niet saai.[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. De Standaard 28 SEPTEMBER 2013 Rudy Schellaert
  2. NRC Maarten Huygen 28 februari 2017
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be