meerpaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een antieke meerpaal

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • meer·paal
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van meer en paal; meer uit Middelnederlands mēre, meere v ‘grenspaal, grens, meerpaal; schandpaal’, uit Oergermaans *mairja- ‘grenspaal’, bij Indo-Europees *mei-, waaruit Latijns mūrus ‘stenen muur, gemetselde wand’.[1] Evenals Oudnoords landamæri ‘grensgebied’, Oudengels (ge)mǣre ‘grens’.[2]
enkelvoud meervoud
naamwoord meerpaal meerpalen
verkleinwoord meerpaaltje meerpaaltjes

Zelfstandig naamwoord

meerpaal m

  1. (scheepvaart) een paal, in het water of op de wal, waaraan de meertouwen van schepen bij het aanleggen worden vastgelegd
    • Op de meerpaal zit een meeuw. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 348.
  2. meerpaal op website: Etymologiebank.nl