levend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·vend
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen levend
verbogen levende
partitief levends

Bijvoeglijk naamwoord

levend [2]

  1. waarin de processen die een organisme laten functioneren nog werken
  2. (muziek) niet afkomstig van een geluidsdrager, maar direct door een aanwezige muzikant of zanger voortgebracht
  3. (figuurlijk) nog functionerend
  4. een herinnering levend houden: zorgen dat iets niet vergeten wordt
     De herinnering aan de Nationale 7 wordt ook levend gehouden in kleine musea, vaak gerund door vrijwilligers. In een oude garage in Piolenc bij Orange is een charmant museum gevestigd met oude auto's, foto's, reclameborden en andere memorabilia.[3]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van: leven
verbogen vorm: levende

levend

  1. onvoltooid deelwoord van leven

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. levend op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant

Meer informatie