leest

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leest

Werkwoord

vervoeging van
lezen

leest

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lezen
    • Jij leest. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lezen
    • Hij leest. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van lezen
    • Leest! 
      Leest voor schoenreparatie
enkelvoud meervoud
naamwoord leest leesten
verkleinwoord leestje leestjes

Zelfstandig naamwoord

leest v/m

  1. een houten of metalen vorm waarop een schoen vervaardigd of gerepareerd wordt
    • De leest is het attribuut van de schoenreparateur 
  2. (verouderd) de gedaante van een lichaam
    • Zij heeft dezelfde schone leest als haar tweelingzus. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: Schoenmaker blijf bij je leest!
Bemoei je niet met zaken waar je geen verstand van hebt!
  • [1]: Op dezelfde leest geschoeid
Op dezelfde wijze gemaakt, identiek
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie