lankmoedig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lank·moe·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘toegevend’ voor het eerst aangetroffen in 1450 [1]
  • Samenstellende afleiding van 'lanc' (lang) en gemoed met het achtervoegsel -ig [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen lankmoedig lankmoediger lankmoedigst
verbogen lankmoedige lankmoedigere lankmoedigste
partitief lankmoedigs lankmoedigers -

Bijvoeglijk naamwoord

lankmoedig

  1. verdraagzaam, toegevend
  2. (verouderd) bereid te wachten en tegenslagen te verdragen, geduldig
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen