kuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kuur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘geneeswijze’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1] [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord kuur kuren
verkleinwoord kuurtje kuurtjes

Zelfstandig naamwoord

kuur v/m

  1. een behandeling ter genezing van een ziekte of een ongezonde situatie (zoals een verslaving)
    • Hij moest een kuur tegen verdere uitzaaiing van de kanker ondergaan. 
  2. plotseling optredend vreemd gedrag
    • Wat een kuren heeft dat ding. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
kuren

kuur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kuren
    • Ik kuur. 
  2. gebiedende wijs van kuren
    • Kuur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kuren
    • Kuur je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen