komisch

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·misch
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘lachlust opwekkend’ voor het eerst aangetroffen in 1808 [1]
  • Afgeleid van het Hoogduitse 'komisch' (met het achtervoegsel -isch) [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen komisch komischer
verbogen komische komischere
partitief komisch komischers -

Bijvoeglijk naamwoord

komisch [3]

  1. de lachlust opwekkend
    • Haar komische timing is waanzinnig, de kwetsbaarheid die ze eronder legt is zo mogelijk nog indrukwekkender. Haar koningin Anne is als de film zelf: verschrikkelijk grappig en oneindig tragisch. Wereldvreemd, en daarmee juist zo menselijk. [4] 
     En hij had zich voorzien van een taalgebruik dat bijna komisch elegant klonk in de mond van een achttienjarige.[5]
     Op een bepaalde manier was het bijna komisch dat je terugkeerde naar de techniek van een andere tijd, van voor het beton.[6]
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[7]

Verwijzingen


Duits

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·misch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
komisch
komischer
am komischsten
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

komisch

  1. merkwaardig, vreemd
  2. grappig, komisch