komiek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ko·miek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord komiek komieken
verkleinwoord komiekje komiekjes

Zelfstandig naamwoord

komiek m

  1. (beroep) iemand die een publiek vermaakt door ze aan het lachen te brengen
    het is misschien wel een goed idee om een komiek in de Italiaanse regering op te nemen, aan een clown waren ze al jaren gewend
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


stellend vergrotend overtreffend
onverbogen komiek komieker komiekst
verbogen komieke komiekere komiekste

Bijvoeglijk naamwoord

komiek

  1. lachlust opwekkend
    Dat veroorzaakte een uiterst komieke situatie.
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl