klim

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klim
enkelvoud meervoud
naamwoord klim -
verkleinwoord klimmetje klimmetjes

Zelfstandig naamwoord

klim m

  1. een tocht waarbij geklommen wordt or moet worden
    • Hoe bereken je hoe steil een klim is? 

Werkwoord

vervoeging van
klimmen

klim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klimmen
    • Ik klim. 
  2. gebiedende wijs van klimmen
    • Klim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klimmen
    • Klim je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.