klim

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klim
enkelvoud meervoud
naamwoord klim -
verkleinwoord klimmetje klimmetjes

Zelfstandig naamwoord

klim m

  1. een tocht waarbij geklommen wordt or moet worden
    • Hoe bereken je hoe steil een klim is? 
     Toen het vlakke plateau overging in een lange steile klim, volgden we ontelbare haarspeldbochten de rotswand op.[1]

Werkwoord

vervoeging van
klimmen

klim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klimmen
    • Ik klim. 
  2. gebiedende wijs van klimmen
    • Klim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klimmen
    • Klim je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be