kaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaan
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kaan kanen
verkleinwoord kaantje kaantjes

Zelfstandig naamwoord

kaan v/m [2]

  1. knapperig uitgebakken overblijfsel van een stuk(je) varkensspek ook wel uitgebakken speklap, (met of zonder zwoerd)
  2. (verouderd) een vliezige bovenlaag
    Op beschimmelend bier vormt zich een kaan.
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
kanen

kaan

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kanen
    Ik kaan.
  2. gebiedende wijs van kanen
    Kaan!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kanen
    Kaan je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal