smout
Uiterlijk

- smout
- In de betekenis van ‘smeer, gesmolten reuzel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1140.[1]
- erfwoord: Middelnederlands smalt ‘min of meer vloeibaar vet, olie’, ontwikkeld uit West-Germaans *smalta- ‘gesmolten vet’, deverbatief van het w.w. *smeltan- ‘smelten’; zie verder smelten.[2] Evenals Nederduits Smolt en Duits Schmalz.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | smout | - |
| verkleinwoord | smoutje | smoutjes |
de smout m
- (België) reuzel: afgesmolten buikvet van het varken, gebruikt als broodbeleg, om te braden of als smeermiddel
- smout was de boter voor arme mensen
- smoutwerk: klein drukwerk
| vervoeging van |
|---|
| smouten |
smout
- Het woord smout staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "smout" herkend door:
| 30 % | van de Nederlanders; |
| 92 % | van de Vlamingen.[3] |
- ↑ "smout" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ smout op website: Etymologiebank.nl
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be