kaam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kaam
enkelvoud meervoud
naamwoord kaam kamen
verkleinwoord kaampje kaampjes

Zelfstandig naamwoord

kaam v/m

  1. een vliezig laagje op een vloeistof
    • Een lag een kaam op het bedorven bier. 
Synoniemen

Gangbaarheid

20 % van de Nederlanders;
12 % van de Vlamingen.

Werkwoord

vervoeging van
kamen

kaam

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kamen
    • Ik kaam. 
  2. gebiedende wijs van kamen
    • Kaam! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kamen
    • Kaam je?