kanen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kanen
kaande
gekaand
zwak -d volledig

Werkwoord

kanen

  1. (inergatief) (Jiddisch-Hebreeuws) (informeel) eten, met smaak eten, smullen (misschien wel van een kaan)
  2. schimmelen, muf worden
Verwijzingen


Zelfstandig naamwoord

kanen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kaan