juk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Man met juk.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • juk
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘trektuig voor dieren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord juk jukken
verkleinwoord jukje jukjes

Zelfstandig naamwoord

juk o

  1. een houten pasvorm die op de schouders gedragen wordt en twee te dragen gewichten (emmers, manden) verbindt
  2. wat iemand wordt opgelegd als last
  3. (techniek) draag- of verbindingsconstructie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
jukken

juk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jukken
    • Ik juk. 
  2. gebiedende wijs van jukken
    • Juk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van jukken
    • Juk je? 

Verwijzingen