jassen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jas·sen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘kaartspel’ voor het eerst aangetroffen in 1738 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
jassen
jaste
gejast
zwak -t volledig

Werkwoord

jassen

  1. overgankelijk door(heen) ~: iets snel en slordig afwerken
    • Hij probeerde het plan er snel doorheen te jassen. 
  2. overgankelijk door(heen) ~: snel en verspillend opgebruiken
    • Hoeveel geld heb jij er vanavond doorheen gejast? 
  3. overgankelijk (aardappels) schillen
    • Die piepers moeten nog gejast. 
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

jassen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord jas

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen