jaste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • jas·te

Werkwoord

vervoeging van
jassen

jaste

  1. enkelvoud verleden tijd van jassen
    • Ik jaste. 
    • Jij jaste. 
    • Hij, zij, het jaste.