identiteitskaart

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • iden·ti·teits·kaart
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord identiteitskaart identiteitskaarten
verkleinwoord identiteitskaartje identiteitskaartjes

Zelfstandig naamwoord

identiteitskaart v/m

  1. een identiteitsbewijs dat op een kaart gedrukt is
    • De politie heeft vandaag gecontroleerd of iedereen zijn identiteitskaart bij zich had. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie