Personalausweis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Duits

Uitspraak
  • IPA: /pɛʁzoːˈnaːlʔaʊ̯svaɪ̯s/
Woordafbreking
  • Per·so·nal·aus·weis

Zelfstandig naamwoord

Personalausweis m

  1. identiteitskaart
    «Sie kontrollieren die Personalausweise
    Ze controleren op identiteitskaarten.
Verbuiging