identiteit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • iden·ti·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord identiteit identiteiten
verkleinwoord identiteitje identiteitjes

Zelfstandig naamwoord

identiteit v

  1. (van persoonheid) een kenmerk dat je onderscheidt van anderen en bepaalt wie je bent
    • De agent vroeg of ik mijn identiteit kon aantonen. 
  2. (wiskunde) gelijkheid
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Wiktionnaire
  2. etymologiebank.nl