humorloos
Uiterlijk
- hu·mor·loos
stellend | vergrotend | overtreffend | |
---|---|---|---|
onverbogen | humorloos | humorlozer | humorloost |
verbogen | humorloze | humorlozere | humorlooste |
partitief | humorloos | humorlozers | - |
humorloos
- zonder humor
- De chagrijnige, oude, humorloze man kon om geen enkel grapje lachen.
- Zijn vrienden weten dat er nu een schoffering op handen is van alle humorloze betweters. ‘Twintig jaar geleden adviseerde de dokter me om te stoppen met drinken. ‘Oké’, zei ik. ‘Daar stem ik mee in. Maar dan blijf ik wel roken.’ [1]
- Het woord humorloos staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ de Volkskrant John Schoorl25 februari 2019 81-jarige kunstenaar David Hockney woont in Los Angeles met zijn entourage en komt de dag door met heel veel sigaretten, maar zonder alcohol