guesthouse

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • guest·house
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord guesthouse guesthouses
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

guesthouse o

  1. een verblijf voor gasten
     Tijdens het liften naar het boerendorp Trout Lake, verscholen in de bergen van Washington, werd ik opgepikt door een vriendelijke, oude man in een versleten tuinbroek, houthakkersoverhemd en een pistool aan zijn riem. Er klonk countrymuziek uit zijn autoradio en hij nodigde mij uit om een nacht in zijn guesthouse in de tuin te blijven logeren.[1]
  2. verblijf voor betalende gasten
     Wie het iets lijkt om op het eiland in de Indische Oceaan aan de slag te gaan, moet wel ingesteld zijn op een afgelegen ligging. Daarom gaat de voorkeur uit naar een echtpaar, legt Ten Kate uit. Het guesthouse met vijf kamers ontvangt het hele jaar door gasten.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink Weblink bron Johannes Rutgers “Villa beheren op de Malediven - ja, die vacature loopt wel bij reisbureau in Apeldoorn” (06-02-2020), Tubantia