Naar inhoud springen

heuvel

Uit WikiWoordenboek
  • heu·vel
enkelvoud meervoud
naamwoord heuvel heuvels, heuvelen
verkleinwoord heuveltje heuveltjes

deheuvelm

  1. (geologie) verhoging in het landschap die wat lager is dan een  berg zn  (tot ± 500 m)
    • Rome is oorspronkelijk gebouwd op zeven heuvels: Palatijn, Aventijn, Capitool, Quirinaal, Viminaal, Esquilijn en Coelius. 
     Het pad slingerde langs rotsige heuvels en uitgestrekte valleien.[4]
     Toen hij de kamer uit was, snelde ze naar het raam om hem na te kijken, terwijl hij de heuvel af liep naar het roestige hek.[5]
     's Avonds hoorde Teresa de motor van de Packard, wanneer Harold de heuvel af rolde, het hek door, op weg naar Malaga.[5]
  2. (anatomie), (seksualiteit)  vagina zn , veelal in sensuele zin en/of als verkleinwoord

[1]

  • Het gras aan de andere kant van de heuvel is altijd groener
men denkt dat anderen geen problemen hebben
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]