herhaaldelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • her·haal·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen herhaaldelijk herhaaldelijker herhaaldelijkst
verbogen herhaaldelijke herhaaldelijkere herhaaldelijkste
partitief herhaaldelijks herhaaldelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

herhaaldelijk

  1. Vaak, veelvuldig, telkens weer, bij herhaling.
    • Na herhaaldelijke waarschuwingen door de leraar werd de kwajongen uit de klas gestuurd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.