Naar inhoud springen

glanzen

Uit WikiWoordenboek
  • glan·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
glanzen
glansde
geglansd
zwak -d volledig

glanzen

  1. absoluut in zekere mate licht weerspiegelen of voortbrengen
    • De worstelaars wreven zich in met olie tot zij glansden. 
     Haar lichtblonde lokken glanzen als een stralenkrans door de donkere schaduwen van het glas, en de vrouw legt haar handpalm op de ruit.[1]
     Haar ogen glansden toen ze me aankeek. 'Dat jonge hout rookt ook zo,'zei ze. 'Mijn ogen prikken ervan.'[2]

deglanzenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord glans
97 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[3]
  1. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  2. Danielle Teller (vert. Marja Borg)
    “Er was eens iets anders” (2018), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026346477
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be