gerief

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·rief
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘genot’ voor het eerst aangetroffen in 1376 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord gerief gerieven
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gerief o

  1. gemak, comfort
  2. gerei, benodigdheden
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
gerieven

gerief

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gerieven
    • Ik gerief. 
  2. gebiedende wijs van gerieven
    • Gerief! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gerieven
    • Gerief je?