gelukkig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·luk·kig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen gelukkig gelukkiger gelukkigst
verbogen gelukkige gelukkigere gelukkigste
partitief gelukkigs gelukkigers -

Bijvoeglijk naamwoord

gelukkig

  1. in een tevredene toestand zijn, zich goed voelen
    • "Veel mensen vergissen zich in wat ze gelukkig maakt" [2] 
     De hemel van de zomer verjaagt het zuur van de stad, zong Charles Trenet al: 'Wij zijn gelukkig, Route Nationale 7.'[3]
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
Vaste voorzetsels
  • gelukkig zijn met
  • gelukkig zijn van
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. gelukkig op website: Etymologiebank.nl
  2. www.nu.nl
  3. Bronlink Weblink bron Peter Giesen “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant