ongelukkig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·ge·luk·kig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ongelukkig ongelukkiger ongelukkigst
verbogen ongelukkige ongelukkigere ongelukkigste
partitief ongelukkigs ongelukkigers -

Bijvoeglijk naamwoord

ongelukkig

  1. je niet goed voelen
    • De buurman was erg ongelukkig nadat zijn zoon was overleden. 
     Alles was nieuw voor dat kleine Pietje en hij zou zich zeker diep ongelukkig gevoeld hebben, als de Sint en zijn Pieten niet zo aardig voor hem waren geweest.[1]
Antoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst op Wikipedia “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be