Naar inhoud springen

ongelukkig

Uit WikiWoordenboek
  • on·ge·luk·kig
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen ongelukkigongelukkigerongelukkigst
verbogen ongelukkigeongelukkigereongelukkigste
partitief ongelukkigsongelukkigers-

ongelukkig

  1. met een gevoel van bedroefde onvrede
    • De buurman was erg ongelukkig nadat zijn zoon was overleden. 
    ▸ Alles was nieuw voor dat kleine Pietje en hij zou zich zeker diep ongelukkig gevoeld hebben, als de Sint en zijn Pieten niet zo aardig voor hem waren geweest.[1]
    ▸ 'Ik begrijp niet waarom ze zo ongelukkig is.'[2]
    ▸ Ze kijkt er zowaar ongelukkig bij.[2]
  2. tegenspoed ondervindend
    • Hij was altijd opgewekt, ook al bleef hij ongelukkig bij zijn pogingen snel rijk te worden. 
  3. toevallig en nadelig
    • Hij maakte door de gladheid een ongelukkige val. 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. ↑ “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat op Wikipedia, p. 11
  2. 1 2
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be