hetgeen
Uiterlijk
- het·geen
- samenstelling van het en geen [1]
- (formeel) met ingesloten antecedent wat
- Hetgeen we hebben afgesproken staat keurig in de mail verwoord.
- ▸ Trouwens, als uitsluitend bewust waarnemen op zintuigwerking zou duiden, dan zouden dieren en jonge kinderen geen zintuigen hebben, hetgeen duidelijk nonsens is.[3]
- ▸ 'Wat gezellig, hè,' roept mijn moeder, 'zo met z'n allen op een boot ' Ze kan niets verstaan van hetgeen wij met elkaar besprekenm Ik doe mijn best een glimlach te produceren en steek mijn duim in de lucht.[4]
- Het woord hetgeen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "hetgeen" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 93 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ hetgeen op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Louw Feenstra V“Zintuigen” (2016), Amsterdam University Press
, ISBN 9789048529421 - ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be