forel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fo·rel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1700 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord forel forellen
verkleinwoord forelletje forelletjes

Zelfstandig naamwoord

forel v/m

  1. (vissen) zalmachtige zoetwatervis
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen