fax

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • fax
enkelvoud meervoud
naamwoord fax faxen
verkleinwoord faxje faxjes

Zelfstandig naamwoord

fax m

  1. (telecommunicatie) een apparaat waarmee documenten per telefoon verzonden kunnen worden, faxtoestel
    Ik gebruik mijn fax iedere dag.
  2. (communicatie) een per fax verzonden bericht, faxbericht
    Heb je mijn fax nog ontvangen?
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
faxen

fax

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van faxen
    Ik fax.
  2. gebiedende wijs van faxen
    Fax!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van faxen
    Fax je?


Latijn

Zelfstandig naamwoord

fax v

  1. fakkel
  2. vuurbal


Oudnoors

Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van het Proto-Germaanse *poḱ-s-.

Zelfstandig naamwoord

fax

  1. manen
Overerving en ontlening


Tsjechisch

Zelfstandig naamwoord

fax m

  1. fax