Naar inhoud springen

manen

Uit WikiWoordenboek
  • ma·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
manen
maande
gemaand
zwak -d volledig

manen

  1. overgankelijk gebieden iets te doen
    • De moeder maande haar kinderen de troep op te ruimen. 
1 enkelvoud meervoud
naamwoord maan manen
verkleinwoord
2 enkelvoud meervoud
naamwoord manen
verkleinwoord

demanenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord maan (astronomie)
     Een beetje wiebelig van de Dubonnet wierp ik een snelle blik op alle gezichten, kleine manen die allemaal waren gestopt met draaien, voor mij.[6]
     Niet alleen de planeet zelf, maar ook de manen van Jupiter kunnen in de vuurlinie liggen.[7]
  2. alleen meervoud, (zoötomie) ruige beharing op de nek van een leeuw of paard
99 %van de Nederlanders;
96 %van de Vlamingen.[8]
vervoeging van
manar

manen

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van manar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van manar