aftocht

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·tocht
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aftocht aftochten
verkleinwoord aftochtje aftochtjes

Zelfstandig naamwoord

aftocht m

  1. het weggaan
    • De aftocht van de voetballers was grandioos, na die overwinning. 
  2. vlucht na een verloren gevecht
    • Sommigen hadden het nog wel over een robbertje vechten met de vijand, maar in de lagere regionen waar Albert en zijn kameraden zaten, was men sinds de overwinning van de geallieerden in Vlaanderen, de bevrijding van Lille, de Oostenrijkse aftocht en de capitulatie van de Turken meestal een stuk minder uitbundig dan de officieren. [2] 
  3. ~ blazen: vluchten
    • Het verslagen leger moest de aftocht blazen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. aftocht op website: Etymologiebank.nl
  2. Lemaitre, Pierre Tot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 11