dupliceren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·pli·ce·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
dupliceren
dupliceerde
gedupliceerd
zwak -d volledig

Werkwoord

dupliceren

  1. (inergatief) op een repliek antwoorden, van dupliek dienen
    dupliceren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
  2. (overgankelijk) kopiëren, verdubbelen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl