repliek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·pliek
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘antwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1411 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord repliek replieken
verkleinwoord repliekje repliekjes

Zelfstandig naamwoord

repliek v

  1. een stevig, raak antwoord
    • Hij kon de bazige lerares goed van repliek dienen toen ze onterecht boos was. 

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen