dupliceerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·pli·ceer·de

Werkwoord

vervoeging van
dupliceren

dupliceerde

  1. enkelvoud verleden tijd van dupliceren
    • Ik dupliceerde. 
    • Jij dupliceerde. 
    • Hij, zij, het dupliceerde.