verdubbelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·dub·be·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verdubbelen
verdubbelde
verdubbeld
zwak -d volledig

Werkwoord

verdubbelen [1]

  1. ergatief tweemaal zo groot worden
    • De winst verdubbelde in dat kwartaal. 
  2. overgankelijk tweemaal zo groot maken, vermenigvuldigen met twee
    • Zij hebben hun inspanningen verdubbeld. 
  3. wederkerend zich ~ tweemal zo groot worden.
    • Hun aantal verdubbelde zich. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen