dupliek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • du·pliek
enkelvoud meervoud
naamwoord dupliek duplieken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dupliek v

  1. het laatste woord van de gedaagde in een civiele rechtszaak
    • De eiser wilde weer reageren op de dupliek van de verdediging maar dat mocht niet meer van de rechter. 

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be