duivekater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

duivekater
Uitspraak
Woordafbreking
  • dui·ve·ka·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord duivekater duivekaters
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

duivekater m [1]

  1. (voeding) gekruid kerstbrood uit de Zaanstreek
     "Ik ben met een eenmanscampagne voor de duivekater bezig", zegt ze over het gekruide feestbrood uit de Zaanstreek. "Ik zou het fijn vinden als dat soort dingen weer normaal worden in plaats van pandoro en ik weet niet wat allemaal met Kerst."[2]
Synoniemen
Hyperoniemen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Lambert Teuwissen“Kruistocht voor de duivekater” (07-10-2012), NOS