drink

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drink

Werkwoord

vervoeging van
drinken

drink

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drinken
    • Ik drink. 
  2. gebiedende wijs van drinken
    • Drink! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drinken
    • Drink je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
drink drinks

Zelfstandig naamwoord

drink

  1. drankje
vervoeging
onbepaalde wijs to drink
he/she/it drinks
verleden tijd drank
voltooid
deelwoord
drunk
onvoltooid
deelwoord
drinking
gebiedende wijs drink

Werkwoord

drink

  1. drinken
    «What do you want to drink
    Wat wil je drinken?