Naar inhoud springen

dronk

Uit WikiWoordenboek
  • dronk
enkelvoud meervoud
naamwoord dronk dronken
verkleinwoord - -

dedronkm [3]

  1. (drinken) het drinken
  2. toost, toast
  • hij had een kwade dronk
hij werd vervelend na het nuttigen van alcohol
vervoeging van
drinken

dronk

  1. enkelvoud verleden tijd van drinken
    • Ik dronk. 
    • Jij dronk. 
    • Hij, zij, het dronk. 
     Ik dronk weinig en hield al helemaal niet van sterkedrank.[4]
     Ik dronk mijn thee op.[4]
     De stem van de vrouw was als een oergeluid dat weer tot leven was gekomen, en Olive stond op en dronk een vijfde glas bubbels - o nee, dit was geen champagne, dit was een of andere sterkedrank, vuurwater dat haar ingewanden in brand zette.[4]
     Ik dronk koffie aan de haven van Oude-Tonge en liep door het oude centrum en rond de kerk.[5]
98 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[6]
stellend
dronk

dronk

  1. dronken
    «Jy is dronk
    Je bent dronken!