dril

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dril
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘gekeperd weefsel’ voor het eerst aangetroffen in 1860 [1]
  • [2] [3] [4] [5]
enkelvoud meervoud
naamwoord dril drillen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dril [6] [7]

  1. m (zoogdieren) mandril
  2. o (kleding) stevige gekeperde stof
  3. lillende gelei
  4. (kookkunst) gestold vleesnat
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
drillen

dril

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drillen
    • Ik dril. 
  2. gebiedende wijs van drillen
    • Dril! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van drillen
    • Dril je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen