drillen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dril·len

Zelfstandig naamwoord

drillen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord dril
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
drillen
drilde
gedrild
zwak -d volledig

Werkwoord

drillen [2] [3]

  1. (onovergankelijk) schudden, trillen
    toen hij de pot met pudding op tafel zette, stond die nog geruime tijd na te drillen
  2. (overgankelijk) (militair) oefeningen doen, exerceren op harde wijze, africhten
    Deze lerares drilde de leerlingen zodanig dat ze op het examen geen fouten meer konden maken.
  3. (overgankelijk) (werktuigbouwkunde) boren (van het Engels)
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal