drab

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • drab
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘droesem’ voor het eerst aangetroffen in 1599 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord drab
verkleinwoord drabje drabjes

Zelfstandig naamwoord

drab v/m/o

  1. vaste deeltjes als vervuiling in een vloeistof
    • Onder in de wijnfles zit nog wat drab. 
Synoniemen
  1. bezinksel

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
70 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • drab
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord dráp.
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   drab     drabet     drab     drabene  
genitief   drabs     drabets     drabs     drabenes  

Zelfstandig naamwoord

drab o

  1. doding
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

drab, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van drab