dorpeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dor·pe·ling
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dorpeling dorpelingen
verkleinwoord dorpelingetje dorpelingetjes

Zelfstandig naamwoord

dorpeling m

  1. inwoner van een kleine plaats op het platteland
     Een dorpeling meldde zich in onze achtertuin, ze lopen hier het liefst achterom, dat is dorps.[2]
     Er waren dorpelingen die vonden dat je in een National Park niet moet bouwen.[3]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink geraadpleegd op 25 augustus 2021 Weblink bron Marcel van Roosmalen “Slakkenknooppunt” (21 juli 2021) op nrc.nl
  3. Bronlink geraadpleegd op 25 augustus 2021 Weblink bron Titia Ketelaar “Ook op het platteland kun je als arme Brit geen woning krijgen” (29 augustus 2016) op nrc.nl
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be