dorpeling

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dor·pe·ling
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van dorp met het achtervoegsel -ling met het invoegsel -e-
enkelvoud meervoud
naamwoord dorpeling dorpelingen
verkleinwoord dorpelingetje dorpelingetjes
    • Er waren dorpelingen die vonden dat je in een National Park niet moet bouwen.[1] 

Zelfstandig naamwoord

dorpeling m

  1. een inwoner van een dorp
Verwante begrippen
Vertalingen


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. NRC Titia Ketelaar 29 augustus 2016
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be