dopper

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[3] navulbare fles met dop
Uitspraak
Woordafbreking
  • dop·per
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dopper doppers
verkleinwoord doppertje doppertjes

Zelfstandig naamwoord

dopper m [1] [2] [3] [4] [5]

  1. werkloze die een werkloosheidsuitkering krijgt
    • In het verhaal was de hoofdrol weggelegd voor een zekere H.B., een 64-jarige Vlaamse man met een universitair diploma die in zijn hele leven hooguit één jaar gewerkt had en die zich daarna had opgewerkt tot de zelfverklaarde ‘Kampioen der doppers’. Al die tijd had hij de RVA om de tuin geleid met valse sollicitatiebrieven, uitvluchten allerhande, maar hij had zich vooral gedeisd gehouden.[6] 
  2. stakker, stumper, zielepiet, zielenpoot, schlemiel, sloeber, sukkelaar, ziel
  3. doperwt
    • We eten vanavond doppertjes 
  4. navulbare fles met dop
    • Het project gaat langs acht peuterspeelzalen, acht basisscholen, zes buitenschoolse opvangen en vier kinderdagverblijven. Op basisschool De Kubus in Velve-Lindenhof was dinsdag het startsein. Hier kregen kinderen uit groep 7 een Dopper-fles, waar zij voortaan de hele dag water uit mogen drinken. De initiatiefnemers hopen dat de kinderen dan de flesjes cola en blikjes energiedrank laten liggen.[7] 

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.

Verwijzingen